Vrij parkeren

– Je staat op een gehandicaptenplaats. Dat mag niet.

– Een wat?

– Een plaats alleen voor gehandicapten.

– Gehandicapten, die kunnen toch niet rijden!

– Sommigen wel. Rolstoelers bijvoorbeeld.

– Een rolstoel parkeert hier nog gemakkelijk naast.

– Is het nu nog niet duidelijk, mongool!

– Zie je wel? Ik sta hier niet zomaar.

– Heb jij dan een gehandicaptenkaart?

– Ja, natuurlijk.

– En een rijbewijs?

– Nee, dat niet.

– Dat komt je duur te staan, makker.

– Nee, want ik heb wel een l.

– Die moet aan je auto hangen.

– Daar was ik net mee bezig, sul.

– Laat me niet lachen. Ik ben niet blind.

– Jij niet, maar mijn broertje wel. Die wacht nu op mij, in de regen, dankzij jou.

– Oh, och arme. Vertrek dan maar.