Onder de duim

“Zou je het erg vinden als ik vreemdga?” lach ik tegen Isabel. “Gewoon eens met iemand anders? Gewoon, omdat het kan, omdat het spannend is? Toe,” vraag ik smekend, “mag het?”
               We hebben altijd al open kaart gespeeld en ik kan me niet voorstellen dat ik iets voor haar verzwijg. Geheimen komen toch altijd uit en ik wil haar recht in de ogen blijven kijken.
               “Nee.” Voor het eerst sinds ik haar ken, zegt ze nee. “Je mag alles van mij, maar dat niet. Ik doe alles voor jou.” Haar stem breekt. “Als je dat doet, zou je mij echt kwetsen.”
               “Natuurlijk zou ik het nooit doen,” zeg ik snel. “Maar alle vrouwen doen het toch anders? Ik heb alleen maar jou gehad, maar jij had vroeger toch ook die Mario? Hoe was die in bed?”
               “Mario?” Ze doet alsof ze nadenkt, terwijl de ober onze glazen neerzet. “Veel ruwer dan jij.”
               “Veel ruwer?” Ik lach. “Nog ruwer? Dat kan toch niet.”
               We heffen onze glazen en proosten: op de toekomst, op ons. Gek dat die toekomst nu twee gezichten heeft. Gek dat ik ineens verliefd kan worden op een andere vrouw, terwijl ik toch een goede relatie heb? Je gooit een goede relatie toch niet zomaar te grabbel voor een onnozele flirt?

“Is zij het,” vroeg ze, “die Peggy over wie je de godganse dag praat?”
               “Nee, liefje.” Ik haal mijn schouders op. “Natuurlijk niet.”
               “Je liegt dat je rood ziet. Zij is het. Die Peggy. Geef het maar toe.”
               “Zij komt tenminste voor mij op in haar praktijk! Jij geeft mijn ouders altijd gelijk.”
               “Ach,” ze zucht, “laat die ouwelui toch zeuren als dat ze gelukkig maakt.”
               Misschien heeft ze gelijk. Misschien hoeft het leven geen strijd te zijn. Het mag ook ontspanning zijn en avontuur: wandelen aan zee, languit liggen op het strand, met de skates een helling af, drijven op de golven, thrillers lezen in een donker bos… Waarom voel ik dan toch die vlinders? Waarom kan ik niet gewoon gelukkig zijn met haar? We hebben het toch goed samen?

“Kom mee,” zegt ze, nadat ik de rekening heb betaald. “Ik wil je iets laten zien.”
               Daar sta ik dan op een hondenweide, met mijn vrouw te kijken naar een stelletje rotbeesten dat Peggy training geeft. Het zijn honden die zijn getraumatiseerd, honden die bijten, blaffen en grommen. Peggy geeft ze koekjes en aaitjes als ze gaan zitten, als ze pootjes geven of een balletje apporteren. Dit doet ze in haar vrije tijd. Ik kan het nauwelijks geloven. Hoe kan je zoiets fijn vinden?
               “Dit is Blacky.” Ze wijst op een grote rottweiler. “Aai hem maar. Hij doet niets.”
               Het beest gromt, ontbloot zijn tanden en kijkt me aan alsof hij me elke seconde zou willen verscheuren. Met zijn modderpoten laat hij vuile vegen achter op mijn nieuwe jas.
               “Dat gaat er straks wel uit in de wasmachine,” vergoelijkt Peggy. “Hij is nog speels.”
               “Die moeten we nemen,” zegt Isabel, terwijl ze mij een knipoog toewerpt. “Kijk eens hoe lief. Zie hem maar kwispelen.” Ze luistert aandachtig, terwijl Peggy over Blacky vertelt:
               “Zijn vorig baasje heeft hem echt verwaarloosd. Dat trauma moet hij nog verwerken, zie je?”
               Afmaken zouden ze dat mormel moeten doen, denk ik in stilte, maar ik knik begrijpend zonder toe te geven dat ik, een man van bijna twee meter, bang ben voor een beest dat half zo klein is als ik. Peggy drukt me een balletje in de hand. “Gooi maar,” zegt ze met die lieve glimlach waaraan ik niet kan weerstaan en waar ik anders altijd zo warm van word. Mijn weerstand smelt en ik gooi.
               “Toe dan, Blacky.” Ze geeft hem een aai en het beest zet het op een lopen. “Ja, goed zo.”
               Ik wil het balletje van het mormel overnemen, maar hij knapt uit alle macht zijn tanden dicht.
               “Au. Mijn vinger.” Ik geef hem een schop, maar hij laat niet los. “Verdomme, mijn vinger!”
               “Je moet zo’n hond met zachtheid behandelen,” zegt Peggy in alle rust. “Kijk maar hoe ik het doe. Los, Blacky. Los!” Ze trekt het beest aan zijn achterpoten, maar het is al te laat. Ik kijk verschrikt naar mijn hand. Waar vroeger nog de duim gezeten heeft, zit nu een gapend gat.
               “het is Blacky’s schuld niet,” zegt Peggy zonder eerst te vragen hoe het gaat met mij.
               “Oh nee?” Isabel trekt mij achteruit, posteert zich tussen mij en de honden in en kijkt Peggy vernietigend aan. Zo kwaad heb ik haar nog nooit gezien. “Wiens schuld is het dan? Jij traint die honden. Jij moet erop toezien dat ze zich koest houden. Oh, Joris,” ze huilt, “gaat het een beetje?”
               Het is de eerste keer dat ze het voor mij opneemt, de eerste keer dat ze zich zorgen maakt om mij. Ze belt een ziekenwagen, drukt een zakdoek op de wonde en stelt me gerust, terwijl Peggy zich alleen over dat rotbeest ontfermt. Ondanks alle pijn voel ik een warme gloed vanbinnen.

“En,” lacht Isabel in de ziekenwagen. “Wat voel je nu voor Peggy? Nog steeds zo verliefd?”
               “Nee!” wil ik schreeuwen, maar ik heb te veel pijn om ook maar iets te zeggen.
               Ik zou de pannenkoeken missen die alleen zij zo lekker kan bakken, de lange wandelingen die we maken zonder hond, haar hand die me vasthoudt, de spelletjes die we spelen, haar humor…
               Het is Isabel die me leerde loslaten en misschien ook de duim die losgelaten heeft. Het is Isabel die nu mijn vlees snijdt, die mijn wonden verzorgt, bij wie ik steeds de meeste steun kan vinden. Zij is geen hondentherapeute, geen psychologe. Ze staat gewoon achter de kassa, maar besteedt haar vrije tijd wel aan mij. We hebben het goed samen. Dat besef ik nu meer dan ooit.