Dertien april

‘Haar ogen’ waren Jordi en zij was het brein dat zijn ogen stuurde. Zo was het altijd al geweest en zo was het goed. Zijn ogen leidden haar hand naar een oud schommelpaardje op een antiekmarkt, een schaaltje in de vorm van een paashaas en een vaas met reliëfwerk die haar vader lelijk zou vinden. Ze nam de paashaas mee voor op haar salontafel, de vaas voor zijn verjaardag. Vader gooide toch alles weg, iets wat Jordi niet kon begrijpen, want een cadeau van haar was altijd mooi.
               Jordi had een step gekocht uit Polen, waarmee ze samen veel te snel reden. Dat mocht niet, dat wist ze, maar oh, wat was het heerlijk: de wind door haar haren, de motor die trilde onder haar voeten, af en toe een tak die schraapte langs haar helm. Om dan nog maar te zwijgen van de scherpe bochtjes, de hobbels op de weg en de kleine kinderen die ze op een haar na misten. Ze zouden het allemaal tegen haar gebruiken. De zon scheen, het was al lente, maar zij was niet blij.

“Het was echt genieten gisteren,” appte ze naar een collega. “Eens iets anders dan al dat thuiswerk. We waren nog eens allemaal samen. Heerlijk, vond jij ook niet?”
               “Gisteren? Maar toen was ik toch ziek,” kreeg ze als antwoord terug.
               Haar collega had inderdaad corona. Het drong met een schok tot haar door. Ze was er niet bij geweest tijdens de reünie. Dat wist ze toch? Waarom wist ze dat dan nu ineens niet meer? Ze voelde het rood naar haar wangen stijgen. Het was al even gênant als de week daarvoor toen ze achter haar laptop bijna in slaap viel. Ze mocht het niet meer laten gebeuren, niet nog eens, maar het was sterker dan zijzelf. Als het zo doorging, zou ook haar teamleider het niet meer voor haar opnemen en dat was nu nog de enige die voor haar in de bres sprong. Ze haastte zich om excuses te typen.

“ABVV, met Joyce, goeiemorgen.” Ze had een klant aan de lijn, ze mocht nu niet huilen.
               Ze hoorde een duif in de tuin. Was het de Turkse tortel of vergiste ze zich? De duif koerde drie keer kort na elkaar en leek wel te zeggen: ‘ik ben Turk’. Zo had ze het onthouden, zo was het toch? Met haar geheugen was toch niets mis?
               Zouden de artsen er ook zo over denken of zouden ze hun dreigementen uitvoeren en haar voor gek verklaren? Zou ze nog steeds goed scoren op de logisch redeneer-testen, even hoog als in de tijd dat ze begon bij het ABVV? Zou ze nog weten dat Poetin de Russische president was en niet Zelenski of zou haar geheugen het laten afweten in die kille, akelige praktijk?
               Nog iets meer dan een week en het was dertien april. Geen vrijdag de dertiende. Gewoon een woensdag. Gewoon een doordeweekse dag. Ze had ook al vandaag in het Universitair Ziekenhuis van Maaistad kunnen zijn, maar dat had ze geweigerd. Ze wilde niet één dag vakantie verspillen aan zulk een zinloos onderzoek. Achteraf had ze spijt: ze was er beter meteen al vanaf geweest, dan kon ze nu onverstoord van het zonnetje genieten. Dan namen de vermoeidheid en haar afnemende scherpte niet langer toe. Dan hielden de nachtmerries misschien eindelijk op: dromen waarbij ze schoppend en schreeuwend ontwaakte in de armen van Jordi. Soms was ze alleen en dan was er helemaal niemand die troostte. Ze lag op een operatietafel met klemmen aan handen en voeten.

“ABVV, goeiemorgen… Ja, dat komt in orde. Fijn dat u zo vroeg al belt.”
               Ze probeerde de dromen te verjagen waarin ze in de supermarkt constateerde dat ze niet meer kon betalen, omdat haar bankkaart was geblokkeerd en haar mastercard ook; het werk van een maatschappij die haar handelingsonbekwaam had verklaard. Ze schudde de dromen van zich af waarin ze vergat zich aan te kleden om naar haar werk te gaan en in pyjama aan het ABVV opdook. Ze probeerde niet meer te denken aan die droom waarin ze haar vlucht naar Kreta had gemist, omdat ze het vertrekuur niet meer had gecheckt. Ze droomde dat ze de vier seizoenen moest opnoemen en niet meer wist dat het al lente was, zoals die ene keer toen ze niet meer wist waar ze woonde, maar dat was dan echt. Ze droomde dat ze pillen moest slikken om niets meer te dromen, niets meer te weten, niets meer te voelen, niets meer te zijn. Soms was ze kleiner, nog maar een puber, hooguit dertien jaar oud. Volgens haar vader moest ze de wetenschap dankbaar zijn. Het was toch goed dat al die pillen bestonden? Al die pillen waren toch beter dan niet kunnen zien? Voor haar was het glas altijd halfleeg, zei hij. Ze moest eens niet zo negatief doen en studeren, studeren, studeren. De volgende dag had ze een overhoring van Latijn en ze viel met haar boek in slaap.

“ABVV, met Joyce.” Ze luisterde aandachtig naar de klant die belde. Toch leuk dat er nog mensen waren die afleiding boden, mensen die ze kon helpen, mensen voor wie ze nog iets kon betekenen.
               Haar teamleider had haar gerustgesteld. Een behandeling tegen de ziekte van Leber was geen coronavaccin, zoals de artsen hadden beweerd. De patiënt had hoe dan ook het recht om te weigeren en daaraan zou hoe dan ook geen enkele consequentie verbonden zijn. Haar blindheid was niet besmettelijk. Het enige aan haar wat aanstekelijk werkte, was haar aanstekelijke lach. Ze functioneerde optimaal binnen het team, kreeg positieve evaluaties en ze zou die artsen eens een poepje laten ruiken. Ze was een echte vakbondsvrouw en zij zou opkomen voor zichzelf en ook voor de belangen van anderen in haar situatie. Ze zouden versteld staan van wat zij allemaal wist en wat zij allemaal kon. Zelf wist ze het allemaal niet meer zo zeker. De artsen zouden ontelbare voorbeelden aanhalen om haar beperking in de verf te zetten, meer dan zij kon bedenken om het tegendeel te bewijzen. Ze leefde op adrenaline. Hoelang hield haar lichaam dit nog vol?

“ABVV, met Joyce… Oui, je parle aussi le français. Comment puis-je vous aider?”
               Er waren heel wat manieren om haar angst te onderdrukken: dansen met de radio op luid, meezingen met de muziek uit haar kindertijd, toen alles nog goed was. Samen met Jordi veertig kilometer stappen en een ruitje inslaan van een bouwvallig pand dat toch al gebarsten was en voor de helft weggeslagen. Het was leuk geweest om iets kapot te maken, iets van iemand anders, zoals de wetenschap van plan was met haar. Ze deden alsof dit het huis was van professor Lexus. Ze had geglimlacht bij de herinnering, bij de gedachte dat ook bij hem iets zou knappen. De scherven vlogen in het rond. Ze hadden er een foto van gemaakt. Als bewijs van hoe geschift ze was, kon dat tellen.

“ABVV, goeiemorgen,” zei ze met een glimlach in haar stem, “wat kan ik voor u doen?”
               “U klinkt zo vrolijk. Dat is al een goed begin van de dag.”
               Ze had geleerd om voor zichzelf op te komen, thuis, op het werk en in de media, maar zou het ook lukken in het ziekenhuis? Zogezegd was het een afspraak om haar medisch dossier in te kijken, alsof dat niet telefonisch kon. In het echt – de secretaresse had zich versproken – wilden ze alweer een bloedstaal voor verder onderzoek. Achteraf had het mens zich wel duizendmaal geëxcuseerd. Het was een misverstand, hakkelde ze. Het ging alleen maar om haar medisch dossier, maar Joyce geloofde het niet meer. Ze hadden al zo vaak gelogen, haar uitgelachen of domweg genegeerd. Ze deden maar onderzoek na onderzoek en Joyce kon er alleen maar over lezen in de krant. Ze woonde debatten bij en ook daar werden enkel vragen van artsen en hulpverleners gehoord, nooit van de patiënten zelf. Niet dat ze zo veel vragen had. Ze wilde maar één ding weten: welke verbetering van de levenskwaliteit bracht een behandeling met zich mee? Zelfs die ene vraag was al te veel gevraagd. In haar hoofd stapelden de vragen zich op: welke nevenwerkingen, welke complicaties? Welke ontstekingen, welke infecties? Welke teleurstelling, welk trauma? Zij was meerderjarig. Zij had tenminste nu nog zelfbeschikkingsrecht, maar wat met al die arme kinderen voor wie de ouders beslisten? Wat met al die arme kinderen die nu ten prooi vielen aan medisch experiment? Hoeveel ouders zouden nu al kiezen voor abortus bij een blind kind op grond van prenatale screening, op basis van haar genetische gegevens? En dat alles omdat zij haar bloed had afgestaan aan een stelletje debielen dat wilde scoren ten koste van alles en iedereen.
               Wat gebeurde er met haar DNA? Ze wilde het weten. Ze moest het weten, alleen dan kon ze doelgericht actie ondernemen om anderen het leed te besparen waar ze zelf zo bang voor was. Dus moest ze erheen. De dokters wilden haar vragen alleen beantwoorden in hun praktijk: niet via e-mail, niet via telefoon, niet via Zoom of Google Meet. Het gebrek aan afstand maakte haar bang, het gebrek aan een fysieke barrière. Het simpele feit dat ze haar met één kleine naald konden lam leggen als ze dat wilden. Jordi zou met haar meegaan, hij was sterk, maar wat kon hij tegen nog sterkere medicijnen? Zou ze haar teamleider meevragen, iemand van de pers? Ze zou zich zo veel veiliger voelen in aanwezigheid van een beschermer of in een radiostudio dan in deze kille, afgelegen praktijk waar niemand kon zien of horen wat de professoren met haar uitspookten.

“ABVV.” Het was bijna tijd voor een korte pauze. “Hoe kan ik u van dienst zijn?”
               De radio was haar verbinding met de buitenwereld. Ze wenste de presentator via de app alvast een fijn weekend en at een gebakje aan het fonteintje in de tuin, waar drie visjes zwommen: Kibbeling, Fishstick en Happy. Het was Jordi’s idee geweest zoals alle goede ideeën de laatste tijd. Ze liet de chocolade op haar tong smelten. Nu kon het nog. Over drie weken niet meer. Dan lag ze misschien in het ziekenhuis. Dan werd ze misschien met tralies in bedwang gehouden. Dan werd ze misschien ook platgespoten, zoals zovelen in de psychiatrie. Dan belandde ze misschien in een instelling waar opvoeders bepaalden wat ze zou eten, om hoe laat ze moest gaan slapen…

“ABVV. Met Joyce, goeiemorgen. Wat kan ik voor u betekenen op deze mooie, zonnige dag?”
               Ze kon zich niet meer concentreren op boeken, schrijfopdrachten en verhalen. Als het even rustig was op het werk, huilde ze, alleen, in een hoekje, waar niemand haar kon zien. ’s Nachts lag ze uren te woelen, bang dat de artsen haar zouden opsluiten als ze een behandeling tegen haar blindheid weigerde. Wat zouden die psychologische testen inhouden? Hoe bereidde je zoiets voor?

“ABVV, met Joyce, goeiemiddag.” Nog steeds verwerkte ze het nodige aantal oproepen. Nog steeds scoorde ze boven het gemiddelde, weliswaar iets minder hoog dan normaal. Cijfers liegen niet.
               Het was tijd voor het middageten, tijd om nog eens met haar vader te praten. Hij had haar tuintje weer keurig onderhouden: het gazon gerijfd, de bladeren weggeveegd, de lavendel en de druivelaar gesnoeid. Hij had pistolets en koffiekoeken meegebracht en zat al aan het fonteintje.
               “Ik moet je nog twee dingen zeggen,” begon hij. “Het schotelvod is vuil, het schuursponsje ook en de wasbak, die moet je hoognodig schoonmaken en blink de kraan op, nu.”
               Dat waren er geen twee maar vier. Alweer vier bewijzen op de ellenlange lijst waarom ze niet voor zichzelf kon zorgen. De professoren zouden juichen. Alweer een doelwit voor hun onderzoek.

Vader en dochter zaten diep in gedachten verzonken, gissend naar wat de ander dacht. Ze dacht aan haar grap van enkele dagen eerder, een flauwe grap over Oekraïne. Vader schaamde zich in haar plaats en noemde haar psychisch gestoord. Humor was haar manier om dingen te verwerken, een plaats te geven. Er circuleerden zo veel cartoons. Waarom mocht zij dan niet eens lachen?
               Ze dacht aan de mail die ze had gestuurd aan haar favoriete nieuwslezer, net iets te warm en vertrouwelijk, net iets te snel. Haar stuk getuigde niet van de nodige, journalistieke diepgang voor Pano, ze moest dieper spitten, dat wist ze en hij was zo lief geweest het haar niet te zeggen. Het nieuws was maar ‘wat’ nieuws, iedereen was nieuws op zijn manier en met die woorden had hij haar getroost. “Koffie om wakker te blijven,” had hij geadviseerd, “en als het echt niet meer gaat, je gsm zetten en tien minuten je ogen dicht.” Ze had het bittere spul leren drinken, zij het met een vies gezicht en het had geholpen, maar hij kon haar niet beschermen. Daarvoor was meer nodig, al was het maar om rust te vinden in haar hoofd. Het was nu nog niet te laat, nu ze nog rechten had. Advocaten waren dure vogels, maar op vrijheid staat geen prijs. Hij had haar de naam gegeven van een goede advocaat, maar die verdedigde toevallig al het ziekenhuis. Ze had de vijand in haar ziel laten kijken en hij had tenminste open kaart met haar gespeeld. Zo eerlijk was hij wel. Ze was impulsief geweest, dat zeker, maar juist die impulsiviteit maakte haar tot mens. Het waren haar gedachten die haar energie voedden. Als ze die uitschakelden, dan wilde ze nog liever dood.

“Als een pil kan voorkomen,” zei haar vader, “dat een kinderverkrachter aan kinderen zit…”
               “Ik ben geen kinderverkrachter,” viel ze uit. Ze wilde zich niet kwaad maken. Vader kwam nog maar net uit het ziekenhuis, hij had een klein infarct gehad en het eerste wat hij deed, was haar tuin zomerklaar maken. Elke dag kon voor hem de laatste zijn. Dan wilde ze toch geen ruzie?
               “Hoe is het nu met jou?” vroeg ze.
               “Je kan ouders toch niet dwingen,” hij zuchtte, “om voor zulk een kind te zorgen. Abortus hoort een vrije keuze te zijn.” Als je elke dag wat pillen moet slikken en je kan zien, hoorde ze hem denken, dan is dat toch een goede zaak? Dat zou hij zeggen in de rechtbank, dat zou hij zeggen in het ziekenhuis. Dat was de reden waarom hij de papieren alweer in haar plaats zou tekenen. Altijd met goede bedoelingen, altijd beter wetend wat goed was voor haar. Het was buigen of barsten. Zo was het altijd al geweest. Ze zou de IQ-test niet eens kunnen afleggen, omdat ze de kleuren en vormen niet kon onderscheiden. Ze zouden de test niet voor haar aanpassen in braille. De verpleegsters zouden liedjes voor haar zingen, alsof ze nog een kind was. Ze zou haar vader nooit meer willen zien. Antidepressiva zouden haar afstompen. Na jaren zou ze toegeven dat ze allemaal gelijk hadden gehad, dat het zo beter was. Of dacht haar vader iets heel anders? Zou hij haar ook missen?
               En Jordi? Hoe zou het aflopen met hem? Misschien kon ze hem de weg wijzen op zijn oude dag als hij niet meer zo goed zag. Dan kon zij voor hem ‘zijn ogen’ zijn en hij voor haar het brein.

“Oh, Jordi.” Ze vocht tegen haar tranen. “Ik heb echt niet meer de fut om te gaan winkelen.”
               Met een lach verbrak hij de verbinding. Het wandelingetje zou haar deugd doen, wist ze.
               “Die is blind,” hoorde ze een meisje zeggen. “Wat erg.”
               “Helemaal niet,” antwoordde ze snel. “Ik ben zo geboren.”
               “Zie je niet hoe vlot ze loopt?” zei een wat ouder kind.
               “Hoor je haar onder het mondkapje lachen?” zei nog iemand anders.
               “Dat zou ik ook doen als ik blind was,” zei het meisje terug.
               In de supermarkt hielp een verkoper haar met alles wat ze nodig had.
               “Ken je dit liedje?” vroeg ze. “Dit liedje op de radio? Dat is Jérémie Makiese. Hiermee gaat België naar het Eurovisiesongfestival. Denk je dat we kans maken om te winnen?”
               “Iedereen maakt kans,” antwoordde hij. Iedereen, dus ook zij. Met die woorden in haar hoofd liep ze terug naar huis, een daverende overwinning tegemoet. Ze snoof de geur op van de hyacinten die ze van Jordi had gekregen en voelde weer de zon op haar gezicht.

Auteur: Ellen Kil

Ik ben met luisterboeken opgegroeid; hoe meer spanning en gruwel, hoe liever. Of het nu gaat om door acteurs voorgelezen verhalen of audiofilms vol geluidseffecten, ik vind het allemaal even boeiend. En wat is er leuker dan zelf een luisterboek te maken? Mijn debuut 'De ultieme smaaktest' ligt meteen ook als luisterverhaal in de rekken. Het maakt deel uit van een groter geheel waaraan ik nog volop aan het schrijven ben. Studies taal- en letterkunde maakten mij tot een weergaloze talenknobbel, allergisch voor taalfouten. Diverse boeken en concerten heb ik gerecenseerd, o.a. voor het KlaraFestival, Brussels Philharmonics, CJP, godeau, De Leeswelp en De Leeswolf. Als eindredacteur bij StampMedia coachte ik een jong redactieteam. Bij Radio 2 schreef ik bindteksten voor presentatoren, deed ik onderzoek naar audiodescriptie, bereidde ik interviews voor en zocht ik nieuws uit diverse invalshoeken. Schrijven zit in mijn bloed. Ik heb al één volledig manuscript geschreven dat nog wacht op een uitgever en aan nieuwe ideeën geen gebrek. De arbeidsmarkt kent voor mij weinig geheimen. Ik deed ervaring op in het onderwijs, bij diverse callcentra en in de verzekeringswereld. Momenteel werk ik als arbeidsbemiddelaar bij VDAB. Mijn werk is mijn passie. Het geeft enorme voldoening het verschil te maken, mensen op de arbeidsmarkt te motiveren en een glimlach op hun gezicht te toveren. Graag help ik werkzoekenden met sollicitatietips of een opleiding op maat. Ik heb fantastische collega's en wat is er mooier dan een job die mij ook nog eens tijd en ruimte geeft om te schrijven? Alles op deze website is van eigen makelij.

5 gedachten over “Dertien april”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: