Kind van de duivel

We zitten aan tafel, K. en ik. K. is al jaren mijn trouwe huishoudhulp. We hebben een hechte band. Elke middag als ze komt, drinken we samen een kop thee. We praten over onze familie:
               “Mijn dochter zou nooit uitgaan met een vriend,” zegt ze, “tenzij ze met hem is verloofd.”
               “En wat als ze thuiskomt met een vriendin,” vraag ik, “of je zoon met een vriend?”
               “Op die vraag wil ik liever niet antwoorden,” zegt ze. “Ik wil hier niemand kwetsen.”
               “Maar wat zou je doen,” dring ik aan, “als je zoon een homo blijkt te zijn?”
               “Dat kan niet,” antwoordt ze, “in de Koran staat dat het niet mag. Zoiets is tegen ons geloof. Als je zo bent, is dat een invloed van de westerse cultuur. Dan is de duivel in je gevaren.”
               Voor haar is homoseksualiteit een westers cultuurfenomeen, voor mij een evidentie. Ik ben biseksueel, ik val zowel op mannen als op vrouwen. Ik heb een vriend met wie ik gelukkig ben, maar het had evengoed een vriendin kunnen zijn. Patrick weet dat en hij heeft er geen problemen mee. Iedereen weet het. Vroeger vond ik het belangrijk mij te uiten. Nu is het zelfs zo evident dat ik er niet meer over praat. Voor het eerst sinds jaren twijfel ik of ik de waarheid wel zou vertellen.

Ik denk weer aan die ene oom die op de camping niets meer met ons te maken wilde hebben, toen mijn vader zei dat ik op meiden viel, aan mijn lerares Latijn die me geen les meer wilde geven toen ze wist dat ik verliefd op haar was, aan de vele discussies met pater Harry, onze leraar godsdienst. Het waren eindeloze discussies die ik nooit kon winnen, ook al gaf ik nooit op.
               “Ofwel is homoseksualiteit een ziekte,” hield hij vol, “ofwel is het een keuze. Als het een ziekte is, moet er een behandeling worden uitgedacht. Als het een vrije keuze is, is het sowieso slecht. Homoseksualiteit is een teken van decadentie. In de vrije natuur komt het alleen maar voor bij aapjes die te veel gevoederd zijn en die zich niet meer moeten voortplanten om te overleven.”
               We lachen samen om die uitspraak van hem, K. en ik. Ik ben bang dat ik K. zal verliezen als ik toon wie ik werkelijk ben. K. werkt hard. Ze laat mij haar Black Forest Fruits-thee proeven en ik geef haar een blok marsepein, iets wat ze nog nooit heeft gegeten. Ik oefen met haar mijn Frans. Zij vertelt over haar familie in Mali: hoe de jeugd voor hun bejaarden zorgt, hoeveel terrorisme er heerst, hoe haar moeder werd uitgehuwelijkt aan den militair die ze nog nooit had ontmoet. Haar kinderen studeren. Zij mogen zelf hun partner kiezen, zolang die maar in de Koran gelooft.
               “Ga je je zoon verstoten als hij met een man zou thuiskomen?” vraag ik.
               “Zo zwart-wit is het niet,” antwoordt ze, “maar ik kan het mij niet voorstellen. Ik kan me niet inbeelden dat ik zelf op een vrouw verliefd zou zijn. En jij?”
               Ik frons. Al vanaf de lagere school ben ik op meisjes verliefd geweest, zelfs toen ik nog nooit van het begrip ‘homo’ of ‘lesbienne’ had gehoord. Ik voelde kriebels in mijn buik bij mijn beste vriendin Aurelie. Ik durfde het aan niemand zeggen en vroeg me af of er niets mis was met mij. Mijn groot idool was Dana Winner. Ik fantaseerde dat ik met haar was getrouwd. Mijn zus speelde Dana, ik speelde mezelf en samen organiseerden we onze huwelijksceremonie. Het was ons geheim, tot zij het op een goede dag aan mijn ouders had verklapt en dat was meteen ook mijn coming-out.
               Zou ik het aan K. vertellen? Ik besluit dan toch maar om eerlijk te zijn:
               “Ik ben al vaak op vrouwen verliefd geweest,” zeg ik, “ik ben zelfs in een holebi-beweging geweest. Ken je de Chiro en de scouts? Zo bestaat er ook ‘Enig Verschil’. Dat is een beweging voor holebi’s. Daar heb ik twee jaar deel van uitgemaakt tot ik op de leraar Nederlands verliefd werd.”

K. is nog nooit met holebi’s in contact gekomen, ik ben de eerste die ze heeft ontmoet.
               “Ik hoop dat je hier over twee weken nog komt werken,” zeg ik na ons gesprek, “dat je nu geen ander adresje zoekt, want voor goede mensen zoals jij is er overal wel een plaats😊.”
               “Voor mijn werk maakt het niets uit,” antwoordt ze. “Zoals ik al zei, ik houd er eigenlijk niet van om hierover met Vlamingen te discussiëren. Ik wil eigenlijk niemand kwetsen. Het is gewoon een verschil tussen onze culturen. Hoe was het in de tijd van je grootouders?”
               “Mijn grootvader wilde ook niet geloven dat één van zijn zonen homo was,” zeg ik.
               “In Mali is in 2019 een Nederlandse delegatie komen praten over gelijke rechten voor holebi’s en hetero’s,” zegt ze, “voor mij is dat toch een brug te ver en voor de regering gelukkig ook.”
               We zijn weer vertrokken. Ik vertel over mijn collega Gertjan die samen met zijn man een kind heeft geadopteerd. De biologische moeder was al op veel te jonge leeftijd zwanger.
               “Een kind heeft een moeder en vader nodig,” vindt ze. “Mijn moeder was ook vijftien.”
               “Ik denk dat Gertjan een heel goede papa is,” verdedig ik, “en dat zijn dochter niets tekortkomt. Er zijn vrouwen genoeg in zijn familie aan wie hun dochter zich zo nu en dan kan spiegelen.”
               Even zwijgen we, elk met onze overtuiging, elk diep in gedachten. Ik ga naar de Delhaize en vraag of ze iets nodig heeft. Als ik terugkom, is ze weer even ijverig aan het schoonmaken als altijd. “Goed gewerkt,” zeg ik, “zoals altijd.” En met een welgemeend ‘tot ziens’ nemen we afscheid.

Ik hoor vaak zeggen: “Ellen, waar maak jij je toch zo druk over?” En opnieuw besef ik waarom het zin heeft mij druk te maken. Het is door mensen die op de barricade staan schreeuwen dat er meer gelijkheid heerst. In Mali is homoseksualiteit verboden. Wat ben ik blij dat ik hier ben. Wat ben ik blij dat mijn familie me aanvaardt om wie ik ben. Wat ben ik blij dat ik hier in Europa mezelf kan zijn.

Auteur: Ellen Kil

Ik ben met luisterboeken opgegroeid; hoe meer spanning en gruwel, hoe liever. Of het nu gaat om door acteurs voorgelezen verhalen of audiofilms vol geluidseffecten, ik vind het allemaal even boeiend. En wat is er leuker dan zelf een luisterboek te maken? Mijn debuut 'De ultieme smaaktest' ligt meteen ook als luisterverhaal in de rekken. Het maakt deel uit van een groter geheel waaraan ik nog volop aan het schrijven ben. Studies taal- en letterkunde maakten mij tot een weergaloze talenknobbel, allergisch voor taalfouten. Diverse boeken en concerten heb ik gerecenseerd, o.a. voor het KlaraFestival, Brussels Philharmonics, CJP, godeau, De Leeswelp en De Leeswolf. Als eindredacteur bij StampMedia coachte ik een jong redactieteam. Bij Radio 2 schreef ik bindteksten voor presentatoren, deed ik onderzoek naar audiodescriptie, bereidde ik interviews voor en zocht ik nieuws uit diverse invalshoeken. Schrijven zit in mijn bloed. Ik heb al één volledig manuscript geschreven dat nog wacht op een uitgever en aan nieuwe ideeën geen gebrek. De arbeidsmarkt kent voor mij weinig geheimen. Ik deed ervaring op in het onderwijs, bij diverse callcentra en in de verzekeringswereld. Momenteel werk ik als arbeidsbemiddelaar bij VDAB. Mijn werk is mijn passie. Het geeft enorme voldoening het verschil te maken, mensen op de arbeidsmarkt te motiveren en een glimlach op hun gezicht te toveren. Graag help ik werkzoekenden met sollicitatietips of een opleiding op maat. Ik heb fantastische collega's en wat is er mooier dan een job die mij ook nog eens tijd en ruimte geeft om te schrijven? Alles op deze website is van eigen makelij.

2 gedachten over “Kind van de duivel”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: