Ontspoord in lockdown

“Schele! Kijk uit je doppen!” Een automobilist draait zijn raampje omlaag en roept naar een bestuurder die in tegengestelde richting rijdt. De tandem zigzagt over de straat en de automobilist kan nog maar net op tijd stoppen. Met piepende remmen komt hij tot stilstand om dan weer door te rijden.
               “Verdomme, Joeri,” schreeuwt de vrouw die achterop zit tegen haar vriend die de fiets bestuurt: “Bel een taxi. Als je de GPS kan instellen, kan je ook een taxi bellen. Je hebt echt te veel gedronken. Bel desnoods mijn ouders of mijn zus. Die zitten toch in je adresboek?”
               Joeri blijft maar zigzaggen en de vrouw kan niet anders dan mee slalommen achter hem aan. “De hele fles jenever is leeg,” werd haar aan het einde van het feest verteld. Hij had het niet bij één glaasje gehouden. Niemand bood aan een taxi te bellen. Iedereen haastte zich naar huis. Haar arm bleef haken achter een hek. Hij is alleen maar wat aangeschoten, maakte ze op uit zijn stem en uit de reactie van de groep. Ook al stapt hij niet meer op een rechte lijn, hij kan de tandem nog terugvinden, terwijl hij zelfs nuchter geen gevoel voor richting heeft. Het valt allemaal nog wel mee…
               Ik had hem nooit op die fiets mogen laten stappen, denkt Sabine nu. Zo geraken we niet thuis.
               Waarom zit ze zelf niet aan het stuur
, zou een toevallige passant ongetwijfeld denken. Heeft ze zelf ook te diep in het glas gekeken? Waarom belt ze niet zelf met zijn telefoon?
               De batterij van haar telefoon is plat. Op die van hem staat geen spraaktechnologie. Daar kan ze dus niet mee werken. Ze laat haar voeten naast de pedalen bungelen. “Ik stap af voor er ongelukken gebeuren,” zegt ze. Pas honderden meters verder vertraagt hij. Ze slaat haar been over de buis en is blij dat haar voeten de grond raken. Haar glimlach is achter het mondkapje niet te zien.
               “Wat?” zegt hij sloom, terwijl hij ook afstapt. “Sabine, wat doe je nu?”
               “Ik rijd niet meer mee. Je stopt met fietsen. Nu.”
               “Ik zal je wel naar huis brengen. Denk je nu echt dat ik dat niet meer kan?” Joeri trekt aan de tandem. Sabine probeert hem op zijn pikkel te zetten, maar Joeri leunt erop met zijn volle gewicht.
               “Verdomme, Joeri.” Sabine geeft haar lief een klap. “Je kan niet rijden. Zet die fiets weg. Nu!”
               Hij wil niet luisteren. Na wat getrek en gesjor krijgt ze de fiets uiteindelijk opgetild en schuift ze de pikkel eronder. Ze draait hem op slot en steekt het sleuteltje veilig weg.
               De alcohol begint nu pas echt te werken. Joeri is te dronken om nog langer op zijn benen te blijven staan. Met fiets en al knalt hij neer op de harde tegels. Ze hoort iets van metaal kraken. Er is iets afgeknakt van haar tandem, haar enige vervoersmiddel, ze weet nog niet precies wat.
               “Je zal de schade kunnen betalen!” roept ze.
               Auto’s rijden af en aan. Niemand houdt halt voor het ruziënde koppel dat bovendien te veel gedronken heeft, bang om zelf een klap te incasseren die mogelijk door één van hen wordt uitgedeeld.
               We zijn hier midden op straat, denkt ze. Straks rijden ze ons dood.

Een ketting ratelt. Rijdt daar een fietser die vertraagt? Ze loopt toe op de bron van het geluid. “Alsjeblieft,” smeekt ze, “mevrouw, meneer… Ze rijden ons overhoop.”
               De fietser staat niet stil. Ongetwijfeld staart hij haar aan alsof ze niet goed wijs is en rijp voor de psychiatrie.
               “Help ons!”
               Het is de zoveelste die achteloos voorbijrijdt. Op dat moment is er geen verkeer, maar het is al laat en het is donker. Straks vlamt er weer een auto in deze stille straat en wat dan?
               “Verdomme, Joeri. Sta op. Als je kan drinken, kan je ook stappen.”
               Sabine herinnert zich nog wat haar leerkrachten vroeger deden op Romereis. Als je maar hard genoeg schreeuwt tegen een dronkaard, komt er vanzelf wel beweging in. Het was altijd pure komedie. Ze realiseert zich niet dat ze toen met een hele groep waren, dat er iemand moest zijn geweest die de zatlap in kwestie overeind hielp. Nu zijn ze alleen en op elkaar aangewezen.
               Ze blijft bij hem in de buurt. Automobilisten kijken niet naar de grond, denkt ze. Ik moet op straat blijven staan om ervoor te zorgen dat ze hem niet overrijden, dat ze de fiets niet stuk rijden. Misschien is ze op dat moment nog meer bekommerd om de fiets dan om hem. Hij heeft niet alleen zichzelf, maar ook haar in gevaar gebracht met zijn onverantwoord gezuip. Net nu ze tijdens het feest in het park op haar vrienden een goede indruk wilde maken, moest hij zich zo nodig bezatten en waarvoor? Om zichzelf moed in te drinken? Om mee te doen met de groep? Om aan te tonen dat hij de anderen de loef af kon steken, niet qua schrijfstijl, maar in elk geval wel qua aantal jenevers? Ze kan alleen maar een sukkel krijgen, zullen ze denken, een alcoholist. Van nature is hij geen drinker. Waarom dan nu wel? Bij haar vrienden en niet bij zijn eigen collega’s, bij zijn eigen familie?
               Ze kan niet anders dan blijven staan als een soort levend signalisatiebord. Ze weet niet dat ze in feite op het voetpad zijn. Ze kent deze buurt niet en het verkeer klinkt zo dichtbij, zo akelig dichtbij.
               Een automobilist vertraagt. Ze steekt haar duim op, een gebaar dat ze kent van vroeger toen ze met haar grootvader om een lift vroeg. Hoopvol. Misschien is de redding nabij.
               Hij vertraagt alleen om uit te wijken voor ons, denkt ze. Dat deed de vorige trouwens ook.
               Verdomme, waarom heeft ze niet naar haar leraar geschiedenis geluisterd met zijn gezeur over haar witte stok? Had ze die nu maar bij zich gehad. Zou er dan iemand stil blijven staan?

Ze hoort een wandelaar voorbijlopen en holt erachteraan. “Meneer, mevrouw, ik ben blind en ik heb hulp nodig. Kunt u iemand bellen? Mijn vriend heeft te veel gedronken. Brengt u hem van de weg?”
               “Hij ligt niet op straat,” zegt een vriendelijke vrouwenstem. “Hij ligt veilig op het voetpad.”
               Ze hoort nog meer mensen toelopen. “We zullen Joeri op het gras zetten tegen de afrastering,” zegt de vrouw. “Help me even, Pierre. Oh ja, dit is mijn vriend Pierre en ik ben Isabel. Je vriend zit nu aan de kant van het voetpad. Hij is veilig. Wie kan ik bellen? Heb je een nummer?”
               Sabine geeft het nummer op van haar zus, maar kennelijk neemt die na twee belpogingen nog niet op. Ze geeft het nummer op van haar vader. Isabel stelt zich aan hem voor en legt uit dat Sabine en Joeri niet thuis geraken zonder hulp, dat Joeri te veel gedronken heeft.
               Ze hoort hoe de fiets wordt versleept. Ze is vergeten dat ze hem op slot zette en diept het sleuteltje op uit haar heuptasje. In haar fietstas zoekt ze haar spullen bijeen en de ketting waarmee de tandem aan een paal kan worden vastgemaakt.
               “Ga maar naast je vriend zitten,” zegt Isabel, terwijl ze Sabine naar een omheining leidt. “Pas op.” Isabel draait Sabine in de juiste richting. “Straks ga je nog op hem zitten.”

“Zie ons hier nu zitten,” zegt Sabine op verwijtende toon tegen Joeri. “Plezant hé.”
               “Kom anders even op de bank zitten voor ons huis,” zegt een vrouw die naar buiten is gesneld. “De grond is zo koud.” Ze klinkt iets ouder en Sabine denkt dat ze de moeder is van Isabel.
               Het hout voelt warm aan. “Deze bank staat hier speciaal voor mensen die zin hebben in een praatje,” zegt de vrouw. “Eergisteren kwam hier nog een oud vrouwtje zitten dat wilde uitrusten, nadat ze haar boodschappen had gedaan. Onze bank staat in de helft van haar route.”
               De vrouw gaat even weg, maar komt alweer snel terug. “Hier, een dekentje,” zegt ze.
               Sabine spreidt de zachte, fleece deken die haar wordt aangereikt over haar benen.
               “En hier,” Sabine krijgt nog een dekentje, “ook eentje voor je vriend.”
               Sabine zucht. Het kost haar moeite, maar ze slaat de plaid dan toch om hem heen.
               Joeri begint over te geven en ze bieden hem een emmer en daarna een fles water. Sabine draait de dop van de fles en geeft die aan Joeri. Die neemt met moeite een paar slokken.
               “De drank komt eruit,” zegt de vrouw bemoedigend. “Dat is een goed teken.”
               “De koffie staat nog heet,” zegt ze tegen Sabine. “Wilt u een kop koffie?”
               “Of wilt u misschien een kop thee?” vraagt Isabel op haar beurt.
               Sabine houdt niet van koffie. Stiekem zou ze wel een kop thee lusten, maar ze zegt ‘nee’. Ze heeft deze mensen al meer dan genoeg last bezorgd. Joeri maakt het allemaal niet meer bewust mee. Zij is vooral dankbaar dat er toch nog goede mensen bestaan.

Dit is al de tweede dronkaard die voor de deur van Pierre is gestrand. Hij vertelt hoe hij zelf aan de drank verslaafd is geweest. “Ik ben al drie jaar met drinken gestopt,” zegt hij trots. “Mij is het gelukt. Ik heb oneindig veel kansen gekregen. Mijn vrouw is onderwijzeres en ze heeft zo veel geduld gehad. Als ik dit zie, denk ik terug aan hoe vaak ik hier zelf heb gezeten. Dat was echt niet leuk voor haar.”
               Als geen ander weet het gezin hoe om te gaan met iemand die te veel gedronken heeft. Ze herhalen dat Sabine veilig is, dat haar vriend veilig is, dat de fiets veilig geparkeerd staat op een beschutte plek. Er wordt gelachen en gepraat. Sabine is er met haar gedachten niet helemaal bij. Te zeer is ze getroffen door wat zich zonet heeft afgespeeld, wat alcohol met een mens doet. Haar ouders zullen razend zijn, maar ze kende alleen deze nummers uit het hoofd en dat van haar leraar geschiedenis op wie ze jaren verliefd is geweest, maar ze durft hem niet te bellen. Ze schaamt zich en is al jaren zijn leerling niet meer. Haar grootmoeder is al tachtig. Ze kan dat oude mens toch niet opzadelen met haar zatte vriend? Had ze niet beter een briefje in haar portefeuille gestoken met alle nummers van haar vrienden in geval van nood? Had ze niet beter om een taxi gevraagd? Wat als er geen taxi beschikbaar was geweest? Kon ze deze mensen uren laten wachten? Stel dat de taxi Joeri niet meenam in deze staat van dronkenschap of dat de chauffeur hem beroofde zonder dat hij het doorhad. Wat als hij niet instapte of onderweg uit de taxi werd gegooid? Waren er alternatieven? Was een ambulance of politiecombi beter geweest? Hoe hoog kon de boete oplopen? Wat als ze niet op de fiets waren gesprongen? Was hij dan onderkoeld geraakt in het park dat volledig leeggelopen was? Had ze niet eerder moeten omkijken naar hem dan naar de fiets? Waarom vroeg ze niet hoe hij zich voelde? Maakte dat ene glaasje jenever haar minder alert, minder zorgzaam, meer agressief?

Een auto stopt voor het huis. Het is een grijze Kia, wordt verteld, de wagen van haar ouders.
               “Joeri is onze schoonzoon niet meer,” zegt haar vader in een vlaag van woede. “Morgen ben ik jarig, maar voor hem is er geen feest. Mijn dochter is blind en hij was ook verantwoordelijk voor haar.”
               “Goedenavond.” Sabine haalt opgelucht adem als ze ook de stem van haar moeder hoort, die waarschijnlijk is meegekomen om te voorkomen dat er ongelukken gebeuren. Ze weet waartoe haar man in staat is als zijn emoties het overnemen van zijn gezond verstand.
               “Sta op, Joeri,” zegt haar vader. “Ga jij maar op de achterbank zitten naast mijn vrouw.”
               Sabine hoort hoe Pierre en haar vader hem in de auto tillen. Joeri geeft geen teken van leven.
               “Sorry voor uw stoep,” stamelt Sabine, terwijl haar moeder haar naar de auto brengt.
               “Dat geeft niets,” lacht Isabel. “Een emmer water en de stoep is schoon.”

In de grijze Kia wordt de radio uitgezet en niemand zegt een woord. Ze hebben een emmer meegekregen, maar Joeri slaagt er toch in om de zetel onder te plassen. Als een stoute puber wordt de vijftigjarige Joeri bij zijn eigen vader thuis op de zetel gekwakt waar hij vierentwintig uur zal slapen. Vierentwintig uur is hij buiten westen. Vierentwintig uur dringt geen woord tot hem door.
               Net goed, denkt Sabine, hij had maar niet zo veel moeten drinken. Zelf blijft ze bij haar ouders slapen. Ze is blij dat haar vriend haar appartement niet onderspauwt, blij dat zijn vader voor hem zorgt. Is hij wel gelukkig met mij, vraagt ze zich af, of dacht hij gewoon even niet na? Is het wel eerlijk om de verantwoordelijkheid volledig in zijn schoenen te schuiven? Waarom zei niemand: “Je hebt genoeg gedronken, Joeri, genoeg.” Zijzelf of een andere feestvierder had de signalen niet opgepikt. Ze merkte het pas toen iemand vertelde dat de fles leeg was en het kwaad al was geschied. Weet ik wel wat zich afspeelt in zijn hoofd? Ze denkt aan die ene keer toen ze hem ’s morgens betrapte met de fles limoncello. Hij had de koelkast opengetrokken en een slok genomen, met haar reuk en haar gehoor was niets mis. Ze had hem erop aangesproken, maar hij schakelde – zoals steeds – over op een ander onderwerp. Hoe lang deed hij dit al stiekem achter haar rug?
               “Joeri mág niet drinken,” zegt de vader van Sabine op verwijtende toon, terwijl ze naar huis rijden. “Dat hoor ik net van zijn vader. Wist je dat dan niet, Sabine? Heeft hij je dat nooit verteld?”
               Sabine verstart en ze zwijgt. Onder het mondkapje schuilt oprechte verbazing, verdriet.
               “Ik had Joeri wel in de Schelde kunnen dumpen,” zegt haar vader. “Wie raakt aan mijn vlees en bloed, is er geweest. Wat zullen je vrienden wel niet denken? Zie jou daar nu zitten met dat coronakapsel. Je bent al even marginaal en onverzorgd. Weet je wat die vader tegen me zei toen ik Joeri op de zetel gooide? ‘Zegt je dochter dan niets tegen mijn zoon als hij zo veel drinkt? Vindt zíj dat oké?’ Maar de man herpakte zich al snel. ‘Oh sorry,’ zei hij, ‘Sabine ziet dat natuurlijk niet. Maar mijn zoon is een echte sportman,’ zei hij, ‘mijn zoon drinkt nooit.’ ‘Bij ons drinkt hij nochtans veel,’ heb ik gezegd. Zijn vader schrok zichtbaar. Dat was niet gespeeld. Ik ben politieman en ik ken mijn vak.”
               Is het waar? Heeft Joeri echt een drankprobleem of overdrijven ze weer, zoals gewoonlijk? Al die geheimen… Sabine twijfelt of ze nog met hem verder wil, of ze geen betere partner kan krijgen. Is het, omdat ik blind ben, dat ik maar moet aanmodderen met om het even wie? Ben ik niet beter alleen dan met een man die constant praat over mijn blindheid en hoe ‘normaal’ hij daarmee omgaat? Heb ik genoeg aan mijn computer, aan boeken, aan thrillers die ik niet zelf heb meegemaakt?
               In de auto blijft het akelig stil. Ze praten even over oom Adri. Al jaren is hij geen lid meer van de familie. Al jaren is iedereen bang voor hem. Hij zit aan de drank en leeft als een dakloze op straat.
               “In mijn hele leven heb ik maar van één ding spijt,” zegt haar moeder, “dat is dat ik oom Adri niet heb kunnen helpen. Hij is en blijft mijn broer en ik mis hem nog altijd.”
               Sabine denkt terug aan de fijne avonturen die ze met haar vriend heeft beleefd: het zonnige Rhodos, de kanotochtjes, een barbecue in de tuin. Zij wilde bungeejumpen en hij zocht voor haar verjaardag een geschikte plek. Zij wilde skaten en hij liep met haar mee. Ze denkt terug aan al die keren dat hij boodschappen deed, hoe ze dansten op hun favoriete muziek, al die keren dat hij ook geen ‘nee’ kon zeggen tegen haar. Ze moet ingrijpen nu het nog kan, het is nu nog niet te laat.
               “Zal ik de auto schoonmaken?” biedt ze haar vader aan om het goed te maken.
               “Dat kan jij toch niet,” luidt het antwoord bits.
               Ouders zijn geen vrienden, denkt ze bij zichzelf, en ik heb vrienden die ook geen vrienden zijn. Ieder voor zich, dat is de maatschappij. Al een jaar zit ze met deze mensen in de les. Al een jaar kende ze hen enkel van achter het scherm. Er werd die dag helemaal niet geschreven, zoals afgesproken. De hele groep was aangeschoten en hun leerkracht? Die deed gewoon mee.
               Met een lach had ze Sabine enkele dagen eerder voor ‘veeleisende leerling’ uitgemaakt, ‘de schuld’ van haar burn-out. In een digitale meeting had Sabine uitgehuild op haar werk.
               “Laat jezelf niet zomaar opzijschuiven,” had een collega getroost. “Je bombardeert haar niet met bergen tekst, zoals ze beweert. Je mag toch je taken indienen? Het is niet, omdat je kwaliteit van een opleiding verwacht, dat je veeleisend bent. Ze zou blij mogen zijn met zo’n enthousiasme.”
               Waarom wilde ik zo nodig mijn positie verdedigen in de groep, vraagt Sabine zich af. Waarom stelde ik me niet tevreden met de virtuele realiteit? Zo eenzaam ben ik toch ook weer niet. Had ik de batterij van mijn telefoon maar niet opgebruikt om te zoeken naar mijn bestemming. Had ik maar beseft waarom ze afspraken op deze plek dicht bij hen thuis. Had ik Joeri maar niet betrokken bij dit avontuur. Had ik maar een taxi genomen. De kans op besmetting was kleiner geweest alleen dan met twee. Ik nam hem mee om mij de weg te wijzen, zodat niemand mij een hand of arm moest geven, maar ze zaten veel te dicht op elkaar. Is het zó moeilijk te socializen op anderhalve meter afstand? Wie gaat in tijden van corona naar een park om zich nog eens goed te bezuipen ook? Wie heeft zijn mond vol van eigen verantwoordelijkheden, maar vult je glas voortdurend bij en gooit je daarna als een vod op straat? Is dat een manier van leven, een gevoel van solidariteit? Is dit het soort lessen dat ik wil leren, het soort mensen dat ik opzoek in mijn vrije tijd? In wat voor wereld leven wij? We kennen de consequenties van alcohol, maar dealen sterke drank in winkels, op café… Is het niet beter die rommel gewoon te verbieden? Sabine heeft zin iets kapot te slaan en ramt haar elleboog tegen een gesloten deur. Ze raakt zichzelf op het punt waar alle zenuwen samenkomen; haar vingers tintelen.

De volgende dag koopt ze een bos bloemen om het gezin te bedanken dat zich zo liefdevol over haar en haar vriend heeft ontfermd. In haar kast staan nu alleen nog maar alcoholvrije aperitiefjes.

Auteur: Ellen Kil

Ik ben met luisterboeken opgegroeid; hoe meer spanning en gruwel, hoe liever. Of het nu gaat om door acteurs voorgelezen verhalen of audiofilms vol geluidseffecten, ik vind het allemaal even boeiend. En wat is er leuker dan zelf een luisterboek te maken? Mijn debuut 'De ultieme smaaktest' ligt meteen ook als luisterverhaal in de rekken. Het maakt deel uit van een groter geheel waaraan ik nog volop aan het schrijven ben. Studies taal- en letterkunde maakten mij tot een weergaloze talenknobbel, allergisch voor taalfouten. Diverse boeken en concerten heb ik gerecenseerd, o.a. voor het KlaraFestival, Brussels Philharmonics, CJP, godeau, De Leeswelp en De Leeswolf. Als eindredacteur bij StampMedia coachte ik een jong redactieteam. Bij Radio 2 schreef ik bindteksten voor presentatoren, deed ik onderzoek naar audiodescriptie, bereidde ik interviews voor en zocht ik nieuws uit diverse invalshoeken. Schrijven zit in mijn bloed. Ik heb al één volledig manuscript geschreven dat nog wacht op een uitgever en aan nieuwe ideeën geen gebrek. De arbeidsmarkt kent voor mij weinig geheimen. Ik deed ervaring op in het onderwijs, bij diverse callcentra en in de verzekeringswereld. Momenteel werk ik als arbeidsbemiddelaar bij VDAB. Mijn werk is mijn passie. Het geeft enorme voldoening het verschil te maken, mensen op de arbeidsmarkt te motiveren en een glimlach op hun gezicht te toveren. Graag help ik werkzoekenden met sollicitatietips of een opleiding op maat. Ik heb fantastische collega's en wat is er mooier dan een job die mij ook nog eens tijd en ruimte geeft om te schrijven? Alles op deze website is van eigen makelij.

4 gedachten over “Ontspoord in lockdown”

  1. Wat een inspiratie op 1 april
    Ik hou ook wel van een leuke grap gelukkig is het niet altijd ieder voor zich en bestaat er ook een WIJ

  2. Wat een verhaal, inderdaad! En hoe je erin slaagt de aandacht bij te houden van de lezer (van mij althans). Ik houd wel van de subtiele humor hier en daar. Dat einde waarin Sabine terugblikt op het hele gebeuren vind ik heel knap. Zo iets dat vaak achteraf pas gebeurt.
    Je was overigens de live één april grappenmakers voor. 🙂

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: