Het land van Isabeau

Ik wil de kou achter me laten die elke picknick onmogelijk maakt. De regen die met dikke druppels over me heen plenst. De vrienden die me negeerden, ook al deed ik zo mijn best.

Ik wil mijn ouders achter me laten, die mij met dat coronakapsel maar een marginale trien vinden die geen fierheid kent. De materiële egoïsten die alleen tillen aan schone schijn. De fietsers die voorbijreden toen ik smeekte om hulp. De man die zich stiekem bezatte op mijn lentefeest.

Ik wil de druk achterlaten die ik voel op mijn borst. De leegte die zich in mijn binnenste heeft genesteld. De kriebels in mijn buik die strak staat van de spanning. Mijn boze woorden die de winterlucht hebben gevuld en aanvriezen tot mist. Ik wil een wijsje fluiten, een vlinder zijn.

Kon ik maar heel even terug op reis naar het land van Isabeau. Een eiland met een bankje om te praten. Een eiland waar de mensen mensen zijn. Een eiland waar je fouten mag maken. Wat er ook gebeurt, er is altijd water, koffie, thee. Bij haar thuis, ergens heel ver weg, worden kreten gehoord en tranen getroost. Een hand trekt je overeind als je even de weg bent kwijtgeraakt. Zelfs ’s nachts schijnt de zon en haar warmte straalt door je versleten, veel te dunne jas heen, tot diep in je hart.