Floddertje, Zwevertje en het Kruimelparadijs

Elvira Peeters wist niet veel, maar ze wist wel dat de wereld een paradijs zou zijn als de mensen een beetje liever waren. Zelf had ze al jaren ervaren hoe je kon vallen of zweven door woorden en gebaren. Als kind al was ze te klein en te zwaar: moeder zat aan de drank en volgens vader was dat de schuld van haar. Als puber groeide ze buiten proportie. Meer dan eens moest ze toekijken hoe de bus haar voorbijreed, hoe ze werd geparkeerd aan een deur voor een trap. Een blok beton, zo voelde ze zich. Het gezucht van de verplegers onderging ze geluidloos. Gelaten onderging ze hoe haar vader haar ’s avonds liet vallen op bed. Ook hij had niet gekozen voor dat scharminkel in die stoel.

Elvira had niet veel nodig om gelukkig te zijn, maar één ding wilde ze wel: baas zijn in eigen huis. Als computerprogrammeur verdiende ze rijkelijk de kost. Eender wie had ze kunnen inhuren om het huishouden te runnen, maar ze had haar vader de baan gegeven. Niet voor zichzelf, maar voor hem. Hij was acteur en hij had een doel nodig in zijn leven, de cultuursector was op sterven na dood.

Zaterdag was haar dag: tijd om te schrijven, tijd voor zichzelf, tijd voor een nieuw verhaal.
               “Er was eens een meisje dat Floddertje heette,” begon ze vol overgave, “en ze woonde…”

“Elvira!” Hij wees op de kruimels. “Nu moet je eens kijken hoe vuil het hier is.”
               Ze keek hem even aan, knikte gedwee en probeerde zich op haar tekst te concentreren:
               “Er was eens een meisje dat Floddertje heette en ze woonde in een klein en knus appartement dat ze had ingericht met foto’s van vrienden, beeldjes uit verre landen, boeken…”

“Ik zie het niet meer zitten met die corona.” Haar vader kon multitasken als geen één. Klagen en dweilen. Klagen en koken. Klagen, zelfs boven het gebrom van de stofzuiger uit. Zwijgen tot ze begon te typen en dan: “Die hooligans, de jeugd van tegenwoordig. Dat slaat de boel kort en klein. Dat gooit zelfs stenen naar ziekenhuizen! Dat is dan de toekomst, kind. We stevenen af op een burgeroorlog, een regelrechte ramp. Je kan niet meer naar buiten. Er is geen geld voor cultuur…”
               Elvira sloot de deur van haar bureau en tokkelde lustig voort op haar klavier:
               “Haar appartement was ook zo knus, omdat haar beste vriend Zwevertje steeds aan haar zijde stond. Hij was niet knap, maar ook niet lelijk en hij had een hart van goud.”

“Ik zie mijn kleinkinderen niet meer en ik ben zo kortademig de laatste tijd.”
               Elke week liet vader zich testen. Keer op keer bevestigden de dokters wat zij al wist: geen corona. Een hypochonder was hij, manisch depressief, altijd al geweest. Hij plofte op de bank en sloot zijn ogen. “Ik ben zo moe,” zuchtte hij, “en mijn stem doet het niet meer. Niet dat ik klaag hoor, het is een mooie zomer geweest, maar nu is het herfst. Ik denk dat ik er maar beter mee ophoud.”
               Ophouden? Waarmee? Met acteren, met het leven zelf? Elvira kreeg geen woord meer op papier. “Maar pa.” Ze moest even slikken. “De mensen zijn nog blij dat je er bent. Vergelijk jezelf met Will Tura. Zijn stem is ook niet meer wat het vroeger is geweest, maar de mensen staan voor hem in rijen, schenken bloemen… Voor de fans zal je altijd een held blijven en ook voor mij.”
               “Elvira,” hij hoestte en stak een sigaret op, een gewoonte waaraan zij allergisch was.
               Ze opende het raam om te verhinderen dat de rook tussen de meubels en de gordijnen kroop. Voor ze het appartement betrok, kon je de nicotine van de muren pellen. Vetverwijderaar, nicotineverwijderaar, het mocht allemaal niets baten. Pas na de eerste verf was de geur eindelijk weg.
               “Het is allemaal niet zo simpel.” Hij inhaleerde diep. “Spelen zonder publiek, zonder regie.”
               “Zal ik je regisseur worden?” bood Elvira aan. “Ik heb nog een paar teksten die…”
               “Ik ben al moe na nog geen duizend woorden.”

Elvira had alles geprobeerd om hem op te beuren: een filmpje gestuurd met de kinderen die voor hun opa applaudisseerden, verhalen geschreven speciaal voor hem. Hij besteedde er geen aandacht aan. Misschien las hij ze niet eens. Eén keer had ze hem gebeld, gewoon om te horen hoe het ging.
               “Ja, het gaat goed met mij,” had hij gesnauwd, nog voor ze haar naam had kunnen noemen. “Het gaat jou trouwens niets aan hoe het met mij gaat. Al die fans met hun opdringerig gedoe.”
               Kende hij haar stem niet meer? Ik ben je dochter, wilde ze schreeuwen, maar haar keel zat potdicht. Dat was dus hoe hij zich gedroeg tegen vreemden. Geen wonder dat hij geen vrienden had. Ze had het hart niet om hem terecht te wijzen en liet de lawine over zich heen razen:
               “Ik heb er schoon genoeg van!” Hij smeet de hoorn neer en Elvira huilde in eenzaamheid.
               Ze belde terug en zei meteen haar naam. Ja, het ging goed met hem. Of ze hem nu wilde excuseren? Hij mocht toch kijken naar het journaal? Ze draaide het gesprek terug in haar hoofd. Had ze iets verkeerd gezegd? Deden die telefoontjes hem geen goed? Had hij wel nood aan een luisterend oor? Er waren zo veel troosteloze zielen. Misschien durfde hij zijn zorgen niet te delen. Hij wilde haar sparen. Ja, dat moest het zijn. Hoe kon ze het licht doen schijnen in de dichte mist die zich om hem heen had gevormd, een glimlach toveren om die immer droeve mond? Uren zat ze met de telefoon in haar hand. Ze toetste de eerste cijfers van zijn nummer in, legde het apparaat in de houder en haalde het er weer uit. Waarom zette zij altijd de eerste stap? Hij had haar nummer toch.

Haar douche was verstopt en hij zou het defect herstellen. Elvira schonk hem een kop koffie in.
               “Ik kreeg wéér zo’n mailtje,” klaagde hij, terwijl hij een sigaret opstak en de rook in haar gezicht blies, “een manuscript, niet eens in boekvorm, niet eens op papier. Ik haat voorleesvellen en al zeker van amateurs zonder talent. Ik moet een boek vasthouden met een harde kaft.”
               Liefst in leer voor je fluwelen handjes, dacht Elvira in stilte. Ze onderdrukte een glimlach.
               “Het staat vol Franse woorden alsof ze geen Nederlands kent.” Hij zuchtte. “Piscine, château… Vroeger zocht de technicus nog uit hoe je die onzin uitkraamt. Nu moet je maar zelf zoeken. Het mag niet meer te veel kosten. Iedereen kan tegenwoordig publiceren: op Facebook, op blogs…” Hij kuchte en hapte naar adem. “Leuk of niet leuk, dat is waartoe de literaire kritiek zich reduceert. De kwaliteit laat te wensen over. Er is geen auteur die mij nog verrast.”
               Elvira dacht aan haar eigen teksten die de uitgever nog niet hadden bereikt. Ze had gehoopt dat vader een brug zou slaan tussen haar en het brede publiek, dat hij in haar geloofde zoals zij in hem. Floddertje en Zwevertje. Ze had het verhaal niet afgemaakt. Zo moedeloos werd ze van zijn oeverloos gezwets. Ook al zei hij weleens plichtmatig dat ze talent had, interesse toonde hij nooit.

Zaterdag was haar schrijfdag en ze zou bewijzen dat ze het kon. Floddertje en Zwevertje:
               “Als hij lachte, dan lachte zij ook en gelukkig lachte hij vaak. Als hij huilde, dan huilde zij ook, maar bij haar was hij altijd blij. Als hij zweefde, dan zweefde hij voor twee en als hij zou sterven…”
               “Die afvoer is helemaal niet verstopt!” Vaders geroep uit de badkamer bracht haar terug bij de harde werkelijkheid. “Er is iets mis met hoe jij erop gaat staan of – beter – zit.”
               “Elke morgen is het hier een zwembad,” zei Elvira feller dan ze had bedoeld. Het woord ‘piscine’ was bijna uit haar mond gespoten. “Als jij het niet kan, bel ik de loodgieter wel.”
               “Die kan dat ook niet. Het probleem, dat ben jij. Ga eens douchen. Je zult zien.”
               Elvira liet zich door hem uitkleden, wat ze in geen jaren had gedaan. Hij parkeerde haar in de glazen cabine en gek genoeg bleef het water niet meer op de bodem staan. Haar mond viel open.
               “Zie jou daar nu zitten,” lachte hij vergenoegd, “met die dikke kont. Je bent moddervet. Dat is de reden waarom hij niet doorloopt. Je gaat gewoon op de stop zitten. Ik ben niet achterlijk.”
               Ze woog amper zestig kilo. Dit hoefde ze niet te pikken en al zeker niet in haar eigen huis.
               “Beste buren,” hoorde ze op de radio, alweer. “Wees lief voor elkaar. Denk aan de meest kwetsbaren. Applaudisseer voor de zorg.” Corona of geen corona, voor Elvira was de maat vol.
               “Hoe zit het nu met die step?” wilde haar vader weten, terwijl ze in haar blootje lag te grienen. “Je gaat dat toch niet betalen? Je vriend is gewoon niet in staat om met zo’n ding te rijden.”
               Haar vriend was met zijn step gevallen en lag met gebroken ribben in het ziekenhuis. Ze kon hem niet bezoeken, maar dat kon hem niets schelen, zolang hij maar niet op haar kosten leefde.
               “Je investeert beter in aandelen.” Hij wierp haar een handdoek toe. “Dat brengt tenminste nog iets op. Ik kan met zo’n step rijden, maar hij kan beter met de fiets naar zijn werk.”
               Ze had maar niet verteld hoe hij haar op zijn step met rolstoel en al had voortgetrokken en hoe ze had genoten. Dertig kilometer per uur. Het suizen van de wind klonk in haar oren als muziek.

“Hier, vader,” zei Elvira een paar dagen later met een warme lach. “Dit is je kerstcadeau.”
               Ze wees op een reusachtige doos onder de kerstboom. Vader pakte ze met grote ogen uit.
               “Wauw!” riep hij. “Een step! Voor mij!” Voor het eerst in jaren vloog hij haar om de hals.
               Typisch hij. Alleen maar blij te krijgen met materiële zaken: een step en een glas wijn. Al te graag had ze gezegd wat voor ouwe, waardeloze sukkel hij was. Ze hield zich in. Het beste moest nog komen. Hij wist nog niet dat hij met step en al de lucht in zou vliegen en het late avondjournaal zou halen: ‘Step op mysterieuze wijze ontploft.’ ‘Productiefout of sabotage?’ ‘Acteur: dood of vermoord?’
               Voor de pers was het gissen en Elvira stond op de voorpagina van elke krant. Rijen journalisten groepeerden zich aan haar deur voor eens geen coronanieuws. Ze wilden haar versie van de feiten, een inkijk in haar leven dat nooit meer hetzelfde zou zijn. ‘Moedig, optimistisch, zelfredzaam en getalenteerd,’ het regende complimenten en Elvira zweefde als in een droom. Ze vond een nieuwe klusjesman en had eindelijk tijd om te schrijven aan wat een bestseller zou zijn:

Er was eens een meisje dat Floddertje heette. Ze woonde in een klein en knus appartementje, moet je weten. Dat had ze ingericht met foto’s van vrienden, beeldjes van reizen die jij ook leuk zou vinden.

Haar appartement was ook zo knus door Zwevertje, haar beste vriend. Hij steunde haar zoals elke trotse vader zijn kind. Hij was niet lelijk, niet knap van stuk, maar hij had en hart van goud en dat was haar geluk. Als hij lachte, dan lachte zij ook en gelukkig lachte hij meer dan ooit. Als hij huilde, dan huilde zij ook, maar bij haar gebeurde dat nooit. Als hij zweefde, dan zweefde zij mee, maar als hij zou sterven… Ja, dan zou zij rouwen voor twee.

Floddertje en Zwevertje hadden maar één vijand. Dat was de boze klusjesman aan de overkant. “Jullie zouden moeten vegen in plaats van vreten!” riep hij kwaad uit het raam. “Het is niet om uit te staan: al die kruimels, die vuile vaat. Dat past niet in het beeld van deze deftige straat.”
               Floddertje had hem liefst in volle vaart zien uitglijden in een slagroomtaart. Stiekem had ze gebeden dat hij een arm zou breken of dood zou gaan door een duistere kracht bij volle maan.
               Zwevertje negeerde het gezeur van die spast en plunderde elke nacht zijn koekjeskast.
               “Ik heb energie nodig,” zei hij, “het is geen grapje, om te vliegen over de hei, dat snap je.”
               “Mensen vliegen niet,” zei de klusjesman tot zijn groot verdriet, maar des te meer hij dat beweerde, hoe vaker Zwevertje het probeerde. Hij sprong van stoepranden, van hoge trappen in verre landen. Hij gooide zich uit ramen in regen en zon, maar telkens landde hij op het beton. “Ooit suis ik op de wind naar boven,” zei hij. “Je moet erin geloven. Dan lukt het mij.”
               “Voorzichtig!” waarschuwde Floddertje ten spijt. “Ik zie je graag en ik wil je niet kwijt.”

Op een dag zag hij duiven fladderen van een brug en Floddertje dacht: ik zie hem nooit meer terug. Hij nam een aanloop zo hard als hij kon en waagde zonder aarzeling zijn allerdiepste sprong. Bang, daar ging hij neer. Hij had geen lucht in zijn longen meer. Daar lag hij ondersteboven en hij kon niet meer lopen.

“Eigen schuld, dikke bult,” zuchtte de klusjesman vol ongeduld, terwijl hij de stoep schoonveegde en de vuilnisbakken leegde. Hij zette een stap over Zwevertje heen en sloeg met een bezem tegen zijn been. “Jij bent nog erger dan een hond,” zei hij. “Dat bloed is smeriger dan stront. Maar goed, het is voorbij.” Hij keek Zwevertje zo vuil aan dat Floddertje hem had kunnen slaan.
               Ze huilde en belde de hulpdiensten op. Die trommelden in allerijl een ziekenwagen op. De klusjesman was zo aan het vegen dat hij was vergeten opzij te gaan en boem, het was met hem gedaan. Een kleverige brei lag op de tegels en Floddertje dacht: lieve hemel, mijn gebeden zijn verhoord. Ik heb, totaal onverwacht, die arme man vermoord. Maar laat Zwevertje nog leven. Daarvoor zou ik mijn hartje geven.
               “Niets aan te doen,” zei de dokter kil. “Die ouwe lul blijft eeuwig stil. Maar deze hier,” hij boog zich over Zwevertje heen, “die lieve jongen genees ik meteen. Hij heeft alleen een gebroken been. Maar vliegen, jongeman, ik vrees dat niemand zoiets kan.”

Zwevertje lag hoog en droog met zijn been omhoog in het hospitaal. Die kleine kwaal, het deed zo’n pijn. Kon hij maar weer bij Floddertje zijn. Hij wilde naar huis, weg uit dit ziekenhuis. Ze mocht niet bij hem komen en hij kon enkel van haar dromen. Maar op een dag stond ze daar met een lach. Ze schreef haar naam met sier op het gips en hij voelde zich al wat minder tips. Hij dacht: ik wil graag blijven leven en zonder te vliegen kan ik ook zweven. Floddertje knuffelde hem lief en speelsgewijs en ze leefden nog lang en gelukkig in hun kruimelparadijs.