Bloedwraak

Hij broedde op een plan om zich van zijn vrouw te ontdoen, met een sigaret tussen zijn tanden, de rook in haar richting kringelend. De tijd knaagde als een hongerig roofdier aan de littekens op zijn ziel. Na twintig ellendige jaren vol grijze haren waarin hij alleen maar vreugde kon putten uit zijn sigaren, had hij weer een doel. Het visum voor zijn Filipijnse maîtresse was al maanden onderweg. Haar kortverblijf in de kelder zou heel anders zijn dan de musea en monumenten uit een toeristische gids. Na drie maanden tussen vier kale, klamme muren zou hij haar wegsturen. Ze zou terugvliegen met vervlogen dromen. Het beloofde zijn mooiste vakantie ooit te worden, maar door de coronagekte duurde het waarschijnlijk nog een eeuwigheid tot die zondagse ambtenaren hun mappen zouden openslaan. Die papieren vraten stof, terwijl het land schreeuwde om digitalisering. In plaats van koffievlekken zouden coronakiemen elke beslissing verzieken, dacht hij bitter.

 

Die trut was als een scherpe steen in een schoen geweest. Op haar werk spoot ze insecticiden over man en muis, met een naakt ontslag tot gevolg en nu zat hij al weken met dat takkenwijf opgescheept! Wie zou nu niet liever naar een hoertje gluren achter de webcam? Altijd zat ze in die lelijke, vierkanten grijzemuizenstoel, vlak naast de internetaansluiting.

Zelfs de buren vonden haar een zuurpruim en over wie in de straat spraken die zachte, warme, veel te brave mensen nog meer kwaad?

Haar grote, scheve mond zou zelfs grienen om een grap. Ook al kocht ze bergladingen bonbons, welk kind zou nu niet liever haar huisje voorbijgaan dan voor haar Nieuwjaarke Zoete te moeten kwelen en zich blind te moeten staren op haar kommer en kwel? Alleen een slager die zijn zaak liever gisteren dan vandaag zag dichtgaan, waagde haar een grammetje te veel of te weinig te geven. Wie vreesde nu niet dat ze met haar hangtieten het glas van de vitrine stiet? Wie was nu niet bang dat de stoom uit haar veel te grote neusvleugels de eetlust van zijn gouden klanten zou vergallen?

 

Geen kip zou haar missen. Haar ouders zaten al jaren in een kist. Op hun lijkstaatsie was geen paardenkop te zien geweest, het levende bewijs dat zij niet minder geliefd waren. Een appel valt niet ver van de boom, een lijk niet ver van zijn bed. Hij kon haar koud maken met vergif. Eens ze haar gal had uitgekotst, kon hij haar onder de zode stoppen of invriezen en in kleine brokjes aan de beesten voeren. Dat was alweer een kost minder en een feestmaal meer. Grijnzend streelde hij de parkiet die op zijn schouder neerstreek en hem meer warmte gaf dan zijn vrouw ooit had gedaan. Hij tuurde uit het raam naar een gelige, strakke gevel die al even vaal was als de tanden van dat teringkreng. Waanbeelden raasden op topsnelheid. Waar waren haar kookkunsten gebleven, haar spraakwaterval, zijn warme pantoffels aan de haard? Waarom wilde ze hem niet meer aaien en naaien? Ook zij kon hem niet uitstaan. Dat moest haast wel. Hij hoefde haar niet aan te gapen om te voelen hoeveel zieke plannen zich in haar donkere kamer ontwikkelden. Met die eeuwig bittere trek om haar mond las ze verbeten in een misselijk makend moordverhaal dat haar ongetwijfeld zou inspireren. Als ze maar niet sneller was dan hij. Zou ze het einde nog halen?