Allemaal bullshit

Mama en papa zijn de grootste leugenaars die ik ken. Als kind bleven ze me op de mouw spelden:

“Maak je huiswerk. Doe je best op school. Dan verdien je later emmers geld, krijg je de job van je dromen. Je wilt toch niet achter de vuilkar lopen?”

En natuurlijk wilde ik dat wél. In de vakanties zwierf ik rond op het stort. Wat afval over de mens vertelt, ik vond het fascinerend. Een zinken theepot met bloemenmotief, de scherven van een Mariabeeld. Spiksplinternieuwe hakken, schoenen zonder zool. Minute soep van Knorr, tomatensoep met korstjes, nog in de verpakking. Beschimmelde foie gras, rotte kaviaar. Als mama had geweten waar de soep voor Moederdag vandaan kwam, of die elegante naaldhakken op haar veertigste verjaardag… Ze zou het aan haar hart krijgen. Lopen achter de vuilkar, je weet niet wat je vindt. Elke dag feest. Fluiten naar de meisjes, de buitenlucht proeven, bruinen in de zon, spieren kweken, straten vegen, de stenen verschonen, niet denken maar doen. Geen kopzorgen, geen stress, gewoon één taak, niets meer, niets minder.

“Hoe hoger je mikt, hoe meer mogelijkheden”, werd verteld. Dus ik naar de universiteit, om de slechtheid van de mens te analyseren, het vuil der aarde, rotsvast overtuigd dat de wereld aan mijn voeten lag. Op een studentenfuif kwam ik Mieke tegen, de liefde van mijn leven. Stevige borsten, wulpse blikken en een lach die de wolken openbrak.

 

Na diploma’s van archeoloog, psycholoog en letterkundige, met grootste onderscheiding, solliciteerde ik voor vuilnisman.

“Meneer, met uw diploma’s. Dat houdt u geen dag vol.”

Ik trok van interimkantoor naar interimkantoor, maar tevergeefs… Met mijn capaciteiten was ik voor een hoger doel voorbestemd. Onderzoeker, communicatiemedewerker, persverantwoordelijke, vertaler of gids, ik gaf er al na één dag de brui aan. Mieke wilde een huis en kinderen, dus moest ik wel werken. Uiteindelijk werd ik leraar geschiedenis. Kauwgumpropjes op mijn borst, krijt aan mijn broek, bordvegers rond mijn oren, zeurende ouders, spiekende ogen tijdens tests, geeuwende gezichten, blik op oneindig… Het werkte allemaal op mijn zenuwen, maar ik bleef fris en monter, dankzij Jos. Een vuilnisman van middelbare leeftijd, met kapotte rugwervels, ontstoken schouders en een gescheurde meniscus, gepassioneerd door geneeskunde. De hele dag praatte hij over zijn vrouw: haar ziekte, creativiteit, schoonheid, zelfredzaamheid… Hij wilde graag met mij ruilen, maar vond geen ander werk en wilde – kost wat kost – zijn vrouw onderhouden. Ze had MS. Elke morgen voor mijn les haalden we samen het vuilnis op. In de winter gaf hij me steeds tomatenroomsoep met pesto. Een geheim recept van zijn vrouw, op wie hij apetrots was. Om van te watertanden. Mieke vond het allemaal maar raar. Naar de buitenwereld toe liep ze hoog op met mijn altruïsme. Maar binnen kamers schold ze me uit als ik alweer thuiskwam met een lekkende theepot. De honderdste al. Verzinkt, niet meer schoon te krijgen, enkel goed voor zwarte thee.

 

Na Jos’ pensioen had ik al veel genetwerkt met andere vuilnismannen. Iedereen wilde me graag in zijn team. Met mij viel er altijd lol te trappen. Mijn baan als leraar zei ik op. De collega’s lachten achter hun hand, maar het kon mij niets deren. Ik voelde mij een winnaar. In een chic restaurant reserveerde ik voor twee. Ik vroeg mijn vrouw zich op te tutten en nam haar mee uit eten. Recht tegenover mij, aan en tafeltje met kaarslicht, lachte ze haar witte tanden bloot. Ik was de koning te rijk.

“Schat,” begon ik, “Ik wil je wat zeggen.”

“Je straalt. Je hoeft al niets meer te vertellen. Mag ik hem zien? De ring?”

“Euh… Dat wilde ik niet zeggen. Ik heb nieuw werk.”

“Oh? Toch geen opgravingen? Je weet dat ik niet van reizen houdt. Met die vliegangst. Mijn werk…”

“Maak je geen zorgen. Ik word…” Even pauzeerde ik en neuriede wat. “Ik word: vuilnisman.”

“Wat?” gilde ze. “Zo laag had ik je echt niet ingeschat. Dat je die schooier helpt, tot daar aan toe. Maar dat ik moet samenleven met iemand die werkt en zweet als een zwerfhond in het vuil… Verdwijn uit mijn leven.”

Met vlakke hand sloeg ze me in het gezicht, smeet haar stoel achteruit en rende het restaurant uit. Terwijl iedereen me gebiologeerd aanstaarde, betaalde ik de rekening met een brok in mijn keel. Diezelfde avond zette ze mij het huis uit. Gepakt en gezakt, in tranen, belde ik aan bij mijn ouders.

“Het is uit met Mieke”, stotterde ik.

“Hè?”

“Mag ik vannacht bij jullie slapen?”

“Wat? Waarom?”

“Omdat ze mijn nieuwe baan niet ziet zitten.” Papa’s ogen vulden zich met tranen van geluk.

“Dus hij is archeoloog? Wauw! Eindelijk.”

Mama vloog me om de hals, terwijl papa zijn beste fles wijn ontkurkte.

“Dit moeten we vieren”, riep hij uit.

Ik had helemaal niets meer te vieren. Het mooiste wat ik had, was ik kwijt. Verdoofd dronk ik een paar glazen, om de pret niet te bederven. Intussen sprak mama over de kristallen vaas die ze voor slechts duizend Euro gekocht had. Papa raaskalde over Mercedes en Porsche. Ik knikte maar wat.

Na een uur merkte mama dat ik er toch wel heel stilletjes bijzat.

“Wat voor kind hebben wij toch”, vond papa. “Hij krijgt de job van zijn leven en is niet eens blij.”

“Ik snap best dat hij niet in feeststemming is”, suste mama. “Hoe verliefd hij naar haar keek.”

“Wat bekrompen van haar. Dat die niet wil reizen. Dat ze die klas lagereschoolkinderen niet kan missen. Een zonnige archeologische site of verkeer regelen in de mist. Ik zou wel weten wat kiezen. Met dat mens was echt iets mis.”

“Maar ander en beter, Piet.”

“Met als ouders twee onderwijzers… Dat had je toch kunnen denken…”

“Dat gepeupel weet niet wat goed voor ze is.”

“Ja, ze was echt niet van onze stand.”

“Lieve jongen”, vroeg mama, terwijl ze me een schouderklopje gaf. “Waar ga je nu eigenlijk naartoe? Knossos, Sagalassos, Rome…”

“Ja”, ging mijn vader door. “Ik ben ook wel benieuwd wat hij daar gaat doen.”

Ik schonk mijn glas nog eens vol.

“Piet? Hoor je ons wel?”

“Piet, antwoord eens als wij wat vragen? Die Mie is het eind van de wereld niet.”

“Ja, waar ga je opgravingen doen?”

“Hij zegt weer niets.”

“Vertel…”

Ik schraapte mijn keel.

“We luisteren.”

Ik kuchte, raapte al mijn moed bijeen en stotterde:

“Op het stort van Oostmalle.”

“Wat zeg je, lieve schat?”

“Hij moet echt naar de logopedist. Dat zeg ik al jaren, maar jij vond het weer niet nodig.”

“Vanaf morgen werk ik in Oostmalle.”

“Hier?” snoof papa. “In dit boerengat?”

“Komen er hier opgravingen? Toch niet onder ons huis?” vroeg mama met ogen als spleetjes.

“Hier? Dat zal niet zijn!” Met een klap zette papa zijn glas op tafel. Wijn spatte in het rond. “Ik zal al eens bellen naar de burgemeester en hem eens goed diets maken dat dat feestje niet doorgaat. Dat hij die opgravingen tegenhoudt. Als hij wil dat ik op de nieuwjaarsdrink het bier sponsor, dan zal hij…”

“Rustig Pierre. Rustig. Zo’n vaart zal het toch niet lopen, hè Piet?”

“Nee”, bevestigde ik, opgelucht dat ik ook goed nieuws mocht brengen.

“Waar gaan die opgravingen dan door, mijn jongen?”

“Op het stort”, glimlachte ik.

“Hij maakt een grapje. Hij denkt toch niet echt dat hij daar antiek vindt?”

“Dat denk ik wel”, fronste ik. “De grootste schatten liggen op de duisterste plaatsen verborgen.”

“Onze filosoof. Dan was hij nog beter onderwijzer gebleven. Geen wonder dat Mieke…”

“Ssst. Pierre, laat hem nu ook eens wat zeggen. Vertel nu eens, jongen? Wat ligt daar onder de grond?”

“Geen idee.”

“Gaat hij dan nog meer bij Jos rondhangen?”

“Dat kan niet, schat, maak je niet druk, want ik heb gehoord dat die morgen op pensioen gaat.”

“En ik vervang hem.” Yes! Ik had het gedurfd, het was eruit.

Papa sloeg met zijn vuist op tafel, mama schudde me door elkaar.

“Ben jij nu helemaal op je hoofd gevallen?”

“Hij moet naar het gesticht.”

“Na al die onderscheidingen?”

Heeft hij daarvoor dan tien jaar gestudeerd in Leuven?”

“En de school?”

“Hij brengt ons ten schande.”

“Je hebt je contract toch nog niet opgezegd?”

“Hij heeft zijn contract al wel opgezegd. Ik zie het aan die smoel van hem!”

“Hoe reageerden ze?”

“Ze wensten me…” mompelde ik.

“Ze zullen hem wel een uilskuiken vinden.”

“Een dikke, vette leugenaar.”

“Een egoïst. Onberekenbaar.”

“Ja, hoe moet dat nu met die kinderen? Heb je daar al eens aan gedacht?”

“Hij denkt alleen aan zichzelf.”

“Jij bent echt slecht. Slecht bezig. Zo hebben wij je toch niet opgevoed?”

“Oh nee? Weet je nog toen je die schoenen gepikt hebt bij Torfs? Ik mocht er niets van zeggen aan papa.”

“Dat liegt hij.”

“Lieg niet zo over je moeder.”

“Zie je haar nog niet rood worden dan? Ik wel. In haar plaats. Toen we in Milaan pizza aten en zonder betalen weggingen. Die keer toen je op een parasol een lagere prijs plakte, afgetrokken van een ander product. En jij noemt mij dan oneerlijk? Mijn hele leven heb ik van deze job gedroomd. Maar ik kreeg ze nooit. Nu krijg ik eindelijk die kans en jullie noemen mij een leugenaar?” Als ze niet mijn moeder was, had ik haar in het gezicht gespuwd, bij de kraag gevat, bij de politie aangegeven, maar ik wist me nog net te beheersen.

“Ja, een leugenaar. Dat is hij ook. Als hij zomaar zijn contract verbreekt.”

“Ons wijsmaken dat hij archeoloog zou worden.”

“Dat had ik kunnen worden. Maar dit is even mooi.”

“Mooi! Mooi!”

“Ik mocht toch worden wat ik wou?”

“Wisten wij veel!”

“Hij had ons beloofd te stoppen met dat vuilnis.”

“Dat heb ik gezegd na jullie gezeur, maar dat meende ik…”

“Wat meen jij dan wel verdomme!”

“Vuilnisman. Te belachelijk voor woorden.” Druppels speeksel vlogen in het rond.

“Salivatie. Kwijlen dus. Dat is pas té belachelijk voor woorden. Tenzij je een hond bent natuurlijk. Waf, waf! Blaf er eens bij?”

Ik zag een ader op zijn voorhoofd kloppen, rode vlekken op zijn hals. Het gaf mij een bevredigend gevoel. Even zat hij zonder woorden, tot moeder hem te hulp schoot:

“Zo spreek je niet tegen je vader.”

“Piet… Hij kiest altijd de gemakkelijkste weg. Archeoloog. Dat is te veel verantwoordelijkheid voor meneertje losbol.”

“Pardon? Elke dag opstaan om zes uur ’s morgens, de straten vegen, vuil weghalen, is dat dan geen verantwoordelijkheid misschien?”

“Dat valt toch niet te vergelijken.”

“Oh nee? Wil jij dan ontwaken in een straat vol vuil?”

“Piet, ik zever misschien in het echt. Daar heb je gelijk in. Maar ik kan daar niets aan doen. Jij wel. Jij verkoopt zever in pakjes. Om mij en ons Fien eens te treiteren. Bullshit is het. Echt bullshit!”

“Bullshit? Noem jij dat bullshit? Ik heb tenminste een eerlijke baan. Dat kunnen ze van jou niet zeggen, met al die spaarrekeningen in Zwitserland.”

“Dat geld is dan nog voor hem.”

“Stik erin. Steek het in je reet. Neem het mee in je graf. Vreet het…”

“Stop! Zo praat je niet tegen een zieke…”

“Ziek, ziek. Hij speelt de zieke om niet te moeten werken.”

“Maak dat je weg komt. Ga maar bij Jos wonen.”

“Dat zal ik doen ook.”

Als een generaal stormde ik het huis uit, blij omdat nu eindelijk de wereld aan mijn voeten lag. Door niemand zou ik mij nog de les laten spellen. Ik was hier de man! Nog een laatste keer keek ik om naar het ouderlijk huis. Ik zag papa naar zijn borst grijpen. Pure komedie, zoals altijd. Hoewel… Alle kleur was uit zijn gezicht verdwenen. Ineens viel hij van zijn stoel. Als door God geslagen sloeg ik het tafereel gade. Papa, dood. Dat kon niet, dat mocht niet zijn, zeker niet na die ruzie. Plots dacht ik aan Jos, hoe hij in geuren en kleuren vertelde over de reanimatie van zijn vrouw. Hij had het zelf gekund. Zijn tips en trucs kwamen misschien nu nog van pas. Ik liep op het huis toe via de achterdeur. Die klemde, zoals altijd. Of was ze op slot? Snel griste ik de sleutel onder de mat vandaan. Eindelijk. Ik knielde naast papa neer, checkte of hij nog ademde, paste drie, vier, vijf keer hartmassage toe.

Mama schreeuwde: “Je hebt hem vermoord!”

Tot mijn opluchting begon het hart weer te pompen, zijn borst bewoog terug ritmisch op en neer. Hij kreunde iets dat ik niet begreep. Gelukkig. Hij leefde nog.

Auteur: Ellen Kil

Ik ben met luisterboeken opgegroeid; hoe meer spanning en gruwel, hoe liever. Of het nu gaat om door acteurs voorgelezen verhalen of audiofilms vol geluidseffecten, ik vind het allemaal even boeiend. En wat is er leuker dan zelf een luisterboek te maken? Mijn debuut 'De ultieme smaaktest' ligt meteen ook als luisterverhaal in de rekken. Het maakt deel uit van een groter geheel waaraan ik nog volop aan het schrijven ben. Studies taal- en letterkunde maakten mij tot een weergaloze talenknobbel, allergisch voor taalfouten. Diverse boeken en concerten heb ik gerecenseerd, o.a. voor het KlaraFestival, Brussels Philharmonics, CJP, godeau, De Leeswelp en De Leeswolf. Als eindredacteur bij StampMedia coachte ik een jong redactieteam. Bij Radio 2 schreef ik bindteksten voor presentatoren, deed ik onderzoek naar audiodescriptie, bereidde ik interviews voor en zocht ik nieuws uit diverse invalshoeken. Schrijven zit in mijn bloed. Ik heb al één volledig manuscript geschreven dat nog wacht op een uitgever en aan nieuwe ideeën geen gebrek. De arbeidsmarkt kent voor mij weinig geheimen. Ik deed ervaring op in het onderwijs, bij diverse callcentra en in de verzekeringswereld. Momenteel werk ik als arbeidsbemiddelaar bij VDAB. Mijn werk is mijn passie. Het geeft enorme voldoening het verschil te maken, mensen op de arbeidsmarkt te motiveren en een glimlach op hun gezicht te toveren. Graag help ik werkzoekenden met sollicitatietips of een opleiding op maat. Ik heb fantastische collega's en wat is er mooier dan een job die mij ook nog eens tijd en ruimte geeft om te schrijven? Alles op deze website is van eigen makelij.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: