Eén dag voor het vaccin

De zwarte letters van de testresultaten ontsierden het keurig witte papier. In en kille, steriele ziekenhuisgang bleef je achter. Ik zag nog net hoe je flauwviel. Dat was al de vierde keer in één maand tijd. Enkele dagen geleden begon je dan ook nog eens te hoesten. De dokters wonden er geen doekjes om: corona, een hartkwaal, een vogel voor de kat. De moed zonk me in de schoenen.

Wie kan jou daarboven helpen? Oma en opa misschien? Ik laat oma’s paternoster door mijn vingers glijden, druk mijn handen stijf tegen elkaar en bid. Hoe harder de bolletjes in mijn vel snijden, hoe beter het werkt. Als mijn vingers aan elkaar plakken van het zweet, is dat een teken, een boodschap dat God me heeft gehoord. Dat we nog heel lang samenblijven. Dat is wat ik hoop. Al meteen heb ik spijt dat ik mijn wens hardop heb uitgesproken. Als ik dat doe, komt hij misschien niet uit.

Wat als jij er niet meer bent? Aan wie moet ik dan advies vragen? Met wie kan ik dan nog discussiëren over onbelangrijke, materiële zaken, over jacuzzi’s en elektriciteit? Wie zal dan nog mopperen als ik niet heb gestofzuigd of niet heb gestudeerd? Met wie kan ik dan nog kanovaren op volle zee? Wie zal mij dan nog verslaan met hartenjagen en yahtzee? In het spel gunde ik je geen overwinning. Nu kan ik alleen maar mijn handen vouwen en hopen dat je het eeuwige leven wint.

Ik voel een vermoeidheid, een machteloze woede. Tegen deze onzichtbare vijand kan ik niet op. Het zijn alleen maar dokters en verplegers die echt kunnen redden. Wie ben ik die mijn handen stijf tegen elkaar drukt, die bidt en smeekt om een gunstig lot?

Ik denk weer aan al die fijne momenten: watergevechten, een avonturentocht, de bouw van mijn appartement. Jij die mijn teksten leest. Jij die trots naar elke voorstelling kijkt. Het telefoontje elke avond. Het oplossingsgerichte. Geen seconde stil. Ik voel de drang om van elke tel te genieten en tegelijkertijd ook de drang om even boos te zijn. Waarom moest je per se de kinderen van school ophalen? Je wist toch dat dat een risico inhield? Ik mag nu niet zeggen dat je thuis had moeten blijven. Je verdient een afscheid zonder ruzie, zonder zorgen, in schoonheid.

Alsjeblieft, geef ons de kracht om te vechten. Geef ons een extra duwtje, meer vraag ik niet. Er moet toch iets of iemand zijn die waakt of zijn er alleen maar wachtlijsten, overvolle ziekenhuizen en dokters met weinig tijd en vooral ook een eigen leven naast hun werk? Voor hen ben je maar een nummer, één van de zo velen. Zij voelen niet de krampen in mijn kuiten, die druk op mijn borstkas, de knagende angst voor het gemis. Voor hen ben je maar een hartpatiënt, een risicopatiënt, een logisch verlies in de statistiek. Corona en dat één dag voor het vaccin. Kon het niet iets gunstiger zijn?

Hoe langer ik leef, hoe meer mensen ik moet afgeven. Het verdriet groeit naarmate ik ouder word. De pijn helpt me herinneren dat er ook momenten zijn geweest waarop ik geen pijn heb gehad. Ik leer de kleine dingen van het leven nog meer appreciëren en besef dat niets vanzelfsprekend is. Pijn is een vriend die ik beter niet links laat liggen. Ik moet hem voelen om te weten wat er echt toe doet.

Opeens ben je weer thuis en zingt de lente. We barbecueën samen in de tuin en genieten van het fluiten van de vogels. In de auto luisteren we naar songteksten. Ik filosofeer over het leven, zoals ik dat alleen kan doen met jou. Het gesprek slaat om naar het zinloze van politiek. Jij wordt er ziek van, ik kan er alleen maar om lachen. Opnieuw worden de kaarten door elkaar geschud. Als je maar wint.